Hoe gebonden zijn mensen aan de regio? Gaan jongeren die in het Noorden opgroeien ook wonen en werken in het Noorden of vertrekken ze naar andere delen van het land? In deze sectie van de Talentmonitor behandelen we vragen rondom opgroeien en uitvliegen in het Noorden van het land.
Op de kaart brengen we in beeld dat jongeren uit sommige gemeenten een sterkere binding hebben met hun opgroei-locatie dan anderen. We kijken hier naar het aantal mensen dat op enig punt tussen 1995 en 2012 16 jaar is geworden, en vervolgens waar zij zijn gaan wonen op hun 28e (waar we de woonplek dus observeren tussen 2007 en 2024). We kiezen hier voor de leeftijd 28, omdat dat het moment is dat iemand officieel geen jongere meer is. Daarnaast heeft het overgrote deel van de jongeren tegen die tijd hun opleiding afgerond, en zal zijn begonnen met werk. Als we bijvoorbeeld zouden kijken naar waar jongeren wonen op hun 24e, dan zal dit beeld vertekend worden door de universiteitssteden: veel jongeren wonen dan nog in hun studiestad, terwijl een deel van hen na hun studie wellicht wel terug zal verhuizen naar de gemeente waar zij zijn opgegroeid.
De kaart laat zien dat dat jongeren uit sommige gemeenten een sterkere binding hebben met hun opgroei-locatie dan anderen. Gemiddeld gezien woont 55% van de jongeren die op hun 16e wonen in een bepaalde gemeente ook op hun 28e in die gemeente. In sommige gemeenten ligt die ‘stay-rate’ een stuk hoger: zo woont 65% van de jongeren die opgroeien in de gemeente Emmen op hun 28e nog steeds (of weer) in Emmen. Dat is het hoogste percentage van alle Noordelijke gemeenten. Het kan zijn dat deze jongeren in de tussentijd tijdelijk zijn vertrokken, bijvoorbeeld voor een opleiding, maar op hun 28e vinden we ze in de basisadministratie weer terug in dezelfde gemeente als waar zij opgroeiden. Naast Emmen hebben ook Leeuwarden en Groningen met 64% een bovengemiddelde stay-rate, en opvallend genoeg: Ameland. 60% van de Amelander jongeren woont op hun 28e weer op het eiland.
De gemeentes Tynaarlo, Schiermonnikoog en Aa en Hunze weten in het Noorden de minste jongeren te binden: daar vertrekt ongeveer 70% van de jongeren uiteindelijk naar een andere gemeente. Daarnaast valt op dat veel gemeentes in het Noorden, en vooral de rurale gebieden in het Noordoosten, neigen naar het rood: daar vertrekt meer dan de helft van de jongeren. De grote steden weten jongeren daarentegen wel te behouden. Dit kan te maken hebben met studiekeuze. Ook al observeren we jongeren op een leeftijd dat zij in principe hun opleiding zouden moeten hebben afgerond, toch hebben jongeren uit rurale gemeentes wellicht hun woonplaats moeten verlaten om te gaan studeren. Het zou kunnen dat zij minder snel geneigd zijn weer terug te verhuizen, terwijl jongeren uit de steden de mogelijkheid hadden om in hun woongemeente te blijven voor hun studie. We weten echter niet wat de precieze beweegredenen zijn voor jongeren om hun gemeente te verlaten: in de microdata observeren we alleen waar iemand woonde op zijn/haar 16e verjaardag, en op zijn/haar 28e verjaardag.
Welke jongeren blijven in dezelfde gemeente wonen?
Als we kaartjes over de stay-rates (= het percentage dat zowel op 16 als op 28-jarige leeftijd in dezelfde gemeente woont) en de behaalde diploma’s met elkaar combineren, kunnen we een beeld schetsen over mobiliteit naar opleidingsniveau. Hiermee kunnen we zien welke jongeren overwegend ‘blijven’ en welke jongeren ‘vertrekken’. De vier kaarten hieronder geven dat weer.
Op de eerste twee kaarten zien we de stay-rates van laagopgeleiden (lager dan mbo-opleiding) en mbo-afgestudeerden. Daarvan woont gemiddeld meer dan de helft (weer) in hun opgroeigemeente. De stayrates voor beide groepen zijn iets lager in de provincie Drenthe, maar het Noorden wijkt hierin verder niet sterk af van de rest van Nederland. Het lijkt er daarmee op dat Noordelingen met een lage opleiding of mbo-scholing net zo gebonden zijn aan hun regio als jongeren uit andere regio’s. Het zijn dus niet de jongeren met een lage opleiding of mbo-diploma die wegtrekken.
Dat beeld wordt anders als we kijken naar hoogopgeleide jongeren: degenen die een hbo of universitair diploma halen vertrekken vaker wel dan niet naar een andere gemeente dan waar zij op hun 16e woonden. Van de hbo’ers woont de helft tot twee derde van de jongeren ergens anders op hun 28e . Voor universitair opgeleiden is dat zelfs vaak meer dan 80%. Dit geldt vooral voor niet-stedelijke gemeentes, of stedelijke gemeentes zonder hbo of universiteit. Het Noorden wijkt hierin ook af van de rest van Nederland, met name als het gaat om de universitair opgeleiden. Dit effect is het sterkst in de provincie Groningen: de stay-rates van hbo-afgestudeerden in Friesland en Drenthe volgen iets vaker het landelijk gemiddelde, terwijl in Groningen opvallend veel hbo’ers vertrekken, een beweging die bovenop het bovengemiddeld hoge vertrek van universitair opgeleiden komt. Daarmee verliest de regio dus vaak meer menselijk kapitaal dan andere gemeentes in Nederland. Dat veel jongeren werktrekken betekent niet per se dat het hele Noorden haar jongeren verliest. Veel jongeren die hier opgroeien vinden namelijk uiteindelijk wel werk in de regio.
In de bovenstaande analyse kijken vergelijken we de woonlocaties op 16 en 28-jarige leeftijd. Het kan echter ook zijn dat mensen eerder of later verhuizen. Om dit inzichtelijk te maken kijken we naar de stayrates voor de leeftijd van 17 tot 43 jaar. We kijken hier naar de mensen die tussen 1980 en 1999 geboren zijn. Dit betekent dat er bij hogere leeftijden steeds minder observaties zijn. De mensen die in 1999 zijn geboren worden zijn in 2025 immers pas 26 jaar oud.
Uit de eerdere analyse bleek dat hoger opgeleiden vaker vertrekken en dat stedelijke gebieden beter zijn in het vasthouden van hun jongeren. Om een beeld te krijgen van het algehele patroon bekijken we eerst per opleidingsniveau de gemiddelde stayrates in stedelijke (meer dan 1500 adressen per km2) en minder stedelijke (minder dan 1500 adressen per km2) gebieden.
De grafieken hieronder laten zien dat de verschillende opleidingsgroepen, met uitzondering van de universitair opgeleiden, een vergelijkbaar patroon doormaken. Vanaf ongeveer het twintigste levensjaar, als de meeste mensen zelfstandig gaan wonen, begint een vrij snelle daling. Rond het 30e levensjaar neemt de daling af en op 43-jarige leeftijd komen de stayrates in de stedelijke gebieden rond de 50 procent uit. Bij universitair opgeleiden is het patroon anders. Daar zet de daling eerder en sneller in als men in een studentenstad gaat wonen. Ook bij deze groep vlakt de daling van de stayrate daarna af en komt op 43 jarige leeftijd uit op 30 procent in stedelijke gebieden.
In rurale gebieden daalt de stayrate voor alle groepen en met name universitair opgeleiden sneller dan in de stedelijke gebieden. Ook valt op dat de verschillen tussen de opleidingsgroepen groter zijn en dat de stayrate na het 30e levensjaar vrijwel stabiel is terwijl deze in stedelijke gebieden (langzaam) blijft dalen. Mensen die rond hun 30e (weer) in dezelfde weinig stedelijke gemeente wonen waar ze op hun 16e woonden lijken geneigd daar te blijven.
In de onderstaande grafiek is het mogelijk om de stayrates per opleidingsniveau voor alle Nederlandse gemeenten te bekijken. Voor het Noorden is het daarbij bijvoorbeeld interessant om gemeenten met lage stayrates zoals Schiermonnikoog en Tynaarlo met gemeenten met hoge stayrates zoals Emmen en Groningen te vergelijken. Landelijk bezien springen de verschillen tussen gemeenten als Bloemendaal, Urk en Amsterdam in het oog.
Vertrekken latere generaties eerder uit de gemeente waarin ze opgroeien?
De beslissing om uit een gemeente te verhuizen wordt door verschillende factoren, zoals het aanbod van voldoende woningen en de staat van de economie beïnvloed. Gezien de toegenomen krapte op de huizenmarkt ligt het in de lijn der verwachting dat jongere generaties op latere leeftijd uit hun opgroeigemeente verhuizen. We vergelijken vier cohorten (1980-1984, 1985-1989, 1990-1994, 1995-1999) om dit in kaart te brengen. Onderstaande figuur laat zien dat de cohorten een vergelijkbaar proces doorlopen, omwille van de leesbaarheid begint de verticale as bij 40%. In het 20e levensjaar ligt het percentage vertrekkers tussen de 18% en 21%. Op 30-jarige leeftijd is 46% van de twee oudste cohorten vertrokken tegenover 49% van het cohort 1990-1994. Hoewel de verschillen relatief klein zijn is het duidelijk dat jongere cohorten op iets latere leeftijd vertrekken uit de gemeente waar ze op hun 16e woonden. Op 30e-jarige leeftijd is dit verschil echter weer ingelopen en zijn jongere cohorten juist vaker vertrokken. Ook als we kijken naar regionale verschillen tussen de cohorten blijken de verhuisbewegingen stabiel. Bij het cohort 1995-1999 is de gemiddelde stayrate op gemeenteniveau op 28-jarige leeftijd slechts 2.7 procentpunt hoger dan bij cohort 1980-1985. De krapte op de woningmarkt en andere factoren zoals de coronapandemie lijken dus slechts een beperkt effect op het verhuisgedrag van jongeren te hebben.