Introductie

 

In de Talentmonitor onderzoeken de Rijksuniversiteit Groningen en de Hanzehogeschool Groningen hoe de loopbanen van Noordelijke Nederlanders eruitzien. Waar groeien ze op? Wat voor studiekeuzes maken ze? Waar gaan ze werken na afstuderen? Wat voor veranderingen maken ze door tijdens hun werkende leven?

Deze update van de Talentmonitor bouwt voort op eerdere analyses, zie hiervoor het archief. De hieronder gepresenteerde analyses zijn gericht op de vraag welke gemeenten hun jongeren weten te binden. Hierbij maken we uitsplitsingen naar opleidingsniveau en kijken we naar verhuizingen op latere leeftijd. Later zullen andere analyses volgen.

Voor de analyses uit de Talentmonitor maken we gebruik van gegevens uit de microdata van het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS). Hier wordt data verzameld op persoons-, bedrijfs- en adresniveau. Aan de hand van deze data kunnen we betrouwbaar achterhalen waar iemand is opgegroeid, bij welk bedrijf hij of zij werkt, in welke sector dit bedrijf opereert, en op welke locatie. Door deze aan elkaar te koppelen ontstaan de bronbestanden voor de analyses in de Talentmonitor.

Meer lezen over onze methoden, definities en bronnen? Klik hier.

Van opgroeien naar uitvliegen

Hoe gebonden zijn mensen aan de regio? Gaan jongeren die in het Noorden opgroeien ook wonen en werken in het Noorden of vertrekken ze naar andere delen van het land? In deze sectie van de Talentmonitor behandelen we vragen rondom opgroeien en uitvliegen in het Noorden van het land.

Op de kaart brengen we in beeld dat jongeren uit sommige gemeenten een sterkere binding hebben met hun opgroei-locatie dan anderen. We kijken hier naar het aantal mensen dat op enig punt tussen 1995 en 2012 16 jaar is geworden, en vervolgens waar zij zijn gaan wonen op hun 28e (waar we de woonplek dus observeren tussen 2007 en 2024). We kiezen hier voor de leeftijd 28, omdat dat het moment is dat iemand officieel geen jongere meer is. Daarnaast heeft het overgrote deel van de jongeren tegen die tijd hun opleiding afgerond, en zal zijn begonnen met werk. Als we bijvoorbeeld zouden kijken naar waar jongeren wonen op hun 24e, dan zal dit beeld vertekend worden door de universiteitssteden: veel jongeren wonen dan nog in hun studiestad, terwijl een deel van hen na hun studie wellicht wel terug zal verhuizen naar de gemeente waar zij zijn opgegroeid.

De kaart laat zien dat dat jongeren uit sommige gemeenten een sterkere binding hebben met hun opgroei-locatie dan anderen. Gemiddeld gezien woont 55% van de jongeren die op hun 16e wonen in een bepaalde gemeente ook op hun 28e in die gemeente. In sommige gemeenten ligt die ‘stay-rate’ een stuk hoger: zo woont 65% van de jongeren die opgroeien in de gemeente Emmen op hun 28e nog steeds (of weer) in Emmen. Dat is het hoogste percentage van alle Noordelijke gemeenten. Het kan zijn dat deze jongeren in de tussentijd tijdelijk zijn vertrokken, bijvoorbeeld voor een opleiding, maar op hun 28e vinden we ze in de basisadministratie weer terug in dezelfde gemeente als waar zij opgroeiden. Naast Emmen hebben ook Leeuwarden en Groningen met 64% een bovengemiddelde stay-rate, en opvallend genoeg: Ameland. 60% van de Amelander jongeren woont op hun 28e weer op het eiland.

De gemeentes Tynaarlo, Schiermonnikoog en Aa en Hunze weten in het Noorden de minste jongeren te binden: daar vertrekt ongeveer 70% van de jongeren uiteindelijk naar een andere gemeente. Daarnaast valt op dat veel gemeentes in het Noorden, en vooral de rurale gebieden in het Noordoosten, neigen naar het rood: daar vertrekt meer dan de helft van de jongeren. De grote steden weten jongeren daarentegen wel te behouden. Dit kan te maken hebben met studiekeuze. Ook al observeren we jongeren op een leeftijd dat zij in principe hun opleiding zouden moeten hebben afgerond, toch hebben jongeren uit rurale gemeentes wellicht hun woonplaats moeten verlaten om te gaan studeren. Het zou kunnen dat zij minder snel geneigd zijn weer terug te verhuizen, terwijl jongeren uit de steden de mogelijkheid hadden om in hun woongemeente te blijven voor hun studie. We weten echter niet wat de precieze beweegredenen zijn voor jongeren om hun gemeente te verlaten: in de microdata observeren we alleen waar iemand woonde op zijn/haar 16e verjaardag, en op zijn/haar 28e verjaardag.

Welke jongeren blijven in dezelfde gemeente wonen?

Als we kaartjes over de stay-rates (= het percentage dat zowel op 16 als op 28-jarige leeftijd in dezelfde gemeente woont) en de behaalde diploma’s met elkaar combineren, kunnen we een beeld schetsen over mobiliteit naar opleidingsniveau. Hiermee kunnen we zien welke jongeren overwegend ‘blijven’ en welke jongeren ‘vertrekken’. De vier kaarten hieronder geven dat weer.

Op de eerste twee kaarten zien we de stay-rates van laagopgeleiden (lager dan mbo-opleiding) en mbo-afgestudeerden. Daarvan woont gemiddeld meer dan de helft (weer) in hun opgroeigemeente. De stayrates voor beide groepen zijn iets lager in de provincie Drenthe, maar het Noorden wijkt hierin verder niet sterk af van de rest van Nederland. Het lijkt er daarmee op dat Noordelingen met een lage opleiding of mbo-scholing net zo gebonden zijn aan hun regio als jongeren uit andere regio’s. Het zijn dus niet de jongeren met een lage opleiding of mbo-diploma die wegtrekken.

Dat beeld wordt anders als we kijken naar hoogopgeleide jongeren: degenen die een hbo of universitair diploma halen vertrekken vaker wel dan niet naar een andere gemeente dan waar zij op hun 16e woonden. Van de hbo’ers woont de helft tot twee derde van de jongeren ergens anders op hun 28e . Voor universitair opgeleiden is dat zelfs vaak meer dan 80%. Dit geldt vooral voor niet-stedelijke gemeentes, of stedelijke gemeentes zonder hbo of universiteit. Het Noorden wijkt hierin ook af van de rest van Nederland, met name als het gaat om de universitair opgeleiden. Dit effect is het sterkst in de provincie Groningen: de stay-rates van hbo-afgestudeerden in Friesland en Drenthe volgen iets vaker het landelijk gemiddelde, terwijl in Groningen opvallend veel hbo’ers vertrekken, een beweging die bovenop het bovengemiddeld hoge vertrek van universitair opgeleiden komt. Daarmee verliest de regio dus vaak meer menselijk kapitaal dan andere gemeentes in Nederland. Dat veel jongeren werktrekken betekent niet per se dat het hele Noorden haar jongeren verliest. Veel jongeren die hier opgroeien vinden namelijk uiteindelijk wel werk in de regio.

Op welke leeftijd vertrekken mensen uit hun gemeente? 

 

In de bovenstaande analyse kijken vergelijken we de woonlocaties op 16 en 28-jarige leeftijd. Het kan echter ook zijn dat mensen eerder of later verhuizen. Om dit inzichtelijk te maken kijken we naar de stayrates voor de leeftijd van 17 tot 43 jaar. We kijken hier naar de mensen die tussen 1980 en 1999 geboren zijn. Dit betekent dat er bij hogere leeftijden steeds minder observaties zijn. De mensen die in 1999 zijn geboren worden zijn in 2025 immers pas 26 jaar oud.  

Uit de eerdere analyse bleek dat hoger opgeleiden vaker vertrekken en dat stedelijke gebieden beter zijn in het vasthouden van hun jongeren. Om een beeld te krijgen van het algehele patroon bekijken we eerst per opleidingsniveau de gemiddelde stayrates in stedelijke (meer dan 1500 adressen per km2) en minder stedelijke (minder dan 1500 adressen per km2) gebieden.  

De grafieken hieronder laten zien dat de verschillende opleidingsgroepen, met uitzondering van de universitair opgeleiden, een vergelijkbaar patroon doormaken. Vanaf ongeveer het twintigste levensjaar, als de meeste mensen zelfstandig gaan wonen, begint een vrij snelle daling. Rond het 30e levensjaar neemt de daling af en op 43-jarige leeftijd komen de stayrates in de stedelijke gebieden rond de 50 procent uit. Bij universitair opgeleiden is het patroon anders. Daar zet de daling eerder en sneller in als men in een studentenstad gaat wonen. Ook bij deze groep vlakt de daling van de stayrate daarna af en komt op 43 jarige leeftijd uit op 30 procent in stedelijke gebieden.  

In rurale gebieden daalt de stayrate voor alle groepen en met name universitair opgeleiden sneller dan in de stedelijke gebieden. Ook valt op dat de verschillen tussen de opleidingsgroepen groter zijn en dat de stayrate na het 30e levensjaar vrijwel stabiel is terwijl deze in stedelijke gebieden (langzaam) blijft dalen. Mensen die rond hun 30e (weer) in dezelfde weinig stedelijke gemeente wonen waar ze op hun 16e woonden lijken geneigd daar te blijven.  

In de onderstaande grafiek is het mogelijk om de stayrates per opleidingsniveau voor alle Nederlandse gemeenten te bekijken. Voor het Noorden is het daarbij bijvoorbeeld interessant om gemeenten met lage stayrates zoals Schiermonnikoog en Tynaarlo met gemeenten met hoge stayrates zoals Emmen en Groningen te vergelijken. Landelijk bezien springen de verschillen tussen gemeenten als Bloemendaal, Urk en Amsterdam in het oog.  

Vertrekken latere generaties eerder uit de gemeente waarin ze opgroeien?  

 

De beslissing om uit een gemeente te verhuizen wordt door verschillende factoren, zoals het aanbod van voldoende woningen en de staat van de economie beïnvloed. Gezien de toegenomen krapte op de huizenmarkt ligt het in de lijn der verwachting dat jongere generaties op latere leeftijd uit hun opgroeigemeente verhuizen. We vergelijken vier cohorten (1980-1984, 1985-1989, 1990-1994, 1995-1999) om dit in kaart te brengen. Onderstaande figuur laat zien dat de cohorten een vergelijkbaar proces doorlopen, omwille van de leesbaarheid begint de verticale as bij 40%. In het 20e levensjaar ligt het percentage vertrekkers tussen de 18% en 21%. Op 30-jarige leeftijd is 46% van de twee oudste cohorten vertrokken tegenover 49% van het cohort 1990-1994. Hoewel de verschillen relatief klein zijn is het duidelijk dat jongere cohorten op iets latere leeftijd vertrekken uit de gemeente waar ze op hun 16e woonden. Op 30e-jarige leeftijd is dit verschil echter weer ingelopen en zijn jongere cohorten juist vaker vertrokken. Ook als we kijken naar regionale verschillen tussen de cohorten blijken de verhuisbewegingen stabiel. Bij het cohort 1995-1999 is de gemiddelde stayrate op gemeenteniveau op 28-jarige leeftijd slechts 2.7 procentpunt hoger dan bij cohort 1980-1985. De krapte op de woningmarkt en andere factoren zoals de coronapandemie lijken dus slechts een beperkt effect op het verhuisgedrag van jongeren te hebben. 

Van school naar werk

In dit onderdeel kijken we naar de transitie van onderwijs naar werk. In welke sectoren gaan jongeren werken die zijn afgestudeerd aan een Noordelijke onderwijsinstelling? In welke regio werken ze? En wat verdienen ze? We kijken hier in alle analyses naar het hoogst behaalde diploma van elke student, en of dat diploma in het Noorden is behaald of niet. Dit gaat dus zowel over de jongeren die hier niet opgroeiden, maar wel een studie zijn komen doen, als om Noorderlijke jongeren die hier hun opleiding hebben voltooid. Voor veel analyses maken we ook de vergelijking met de rest van Nederland: wijkt de onderwijs-werk-transitie van Noorderlingen af ten opzichte van het Nederlands gemiddelde? In deze sectie kunnen we geen onderscheid maken tussen jongeren die in Groningen, Friesland of Drenthe hebben gestudeerd, omdat er dan mogelijk onthullingsrisico ontstaat waardoor studenten terug te herleiden zijn naar specifieke onderwijsinstellingen.

In welke sectoren werken Noordelijke afgestudeerden?

Onderstaande visualisatie laat zien in welke sectoren afgestudeerden een baan hebben gevonden. Het peilmoment is 24 maanden na afstuderen: als iemand in september 2018 is afgestudeerd, kijken we waar deze persoon werkt in september 2020.

Van de afgestudeerden met een diploma in het hoger onderwijs gaat meer dan de helft werken in de zorg of de zakelijke dienstverlening, elk ongeveer een kwart. Mbo niveau 3 of 4 gediplomeerden werken ook vaak in de zorg. Ten opzichte van hoger opgeleiden relatief meer in de dienstverlening, waar sectoren als de horeca en retail onder vallen. De groep personen die een Mbo niveau 1 of 2 diploma als hoogst behaalde diploma hebben is beduidend kleiner. Van deze groep werkt ongeveer 40% in de bouw of maak-industrie, en een kwart in de dienstverlening.

In vergelijking met de rest van Nederland zijn hier geen grote verschillen voor afgestudeerden uit het hoger onderwijs. Noordelijke afgestudeerden werken hier wel relatief iets vaker in de zorg, en iets minder vaak in de zakelijke dienstverlening, maar de verschillen zijn klein. Voor mbo niveau 3 en 4 is dat anders: daar werkt zo’n 40% in de zorg, tegenover iets meer dan 30% van alle Nederlandse afgestudeerden. Dat wordt gecompenseerd door een relatief lager aandeel werkenden in de dienstverleningssectoren.

Onderstaande grafiek laat een gedetailleerder beeld zien van de grafiek hierboven: we focussen op 21 sectoren, in plaats van zes. Uitzendbureaus zijn toegevoegd als een aparte sector, omdat we van de werknemers in deze sector niet kunnen achterhalen naar welke sectoren zij zijn uitgezonden.

Mbo gediplomeerden werken het vaakst in de retail en de zorg, waarbij die laatste categorie vooral groot is voor mbo niveau 3 en 4 afgestudeerden. Afgestudeerden uit het hoger onderwijs werken het vaakst in de zorg, de zakelijke dienstverlening en het onderwijs. Er zijn opvallende verschillen tussen bepaalde sectoren. Zo werken Noordelijke afgestudeerden, van alle niveaus, vaker voor een uitzendbureau dan de gemiddelde Nederlandse afgestudeerde. En dit verschil is al helemaal groot voor Noordelijke gediplomeerden met mbo niveau 1 en 2: meer dan 1 op de 5 daarvan is in het Noorden na twee jaar werkzaam bij een uitzendbureau, tegenover 1 op de 7 van de mbo niveau 1 en 2 afgestudeerden in heel Nederland.

In welke regio’s werken Noordelijke afgestudeerden?

Als mensen afstuderen in het Noorden, zullen sommigen van hen werk zoeken in de regio, maar sommigen zullen de regio verlaten. In onderstaande analyses bekijken we in welke regio’s afgestudeerden werken, afhankelijk van hun opleidingsniveau, opleidingsrichting en sector waarin zij gaan werken. Noordelijke afgestudeerden heeft hier betrekking op alle personen die hun hoogste diploma aan een Noordelijke onderwijsinstelling hebben behaald: dit is dus inclusief personen die van buiten de regio zijn gekomen, om hier onderwijs te volgen. Voor nu maken we nog geen onderscheid tussen de regio waar Noordelijke afgestudeerden zijn opgegroeid.

In de eerste analyse zien we de verdeling tussen afgestudeerden in het hoger onderwijs en het mbo. Iets meer dan de helft van de Noordelijke afgestudeerden heeft een hbo of wo diploma. De rest heeft hun hoogste diploma aan een mbo-instelling gehaald. Over de afstudeerjaren 2006 tot en met 2016 (“Totaal” in de grafiek), zien we dat mbo-ers en hoger opgeleiden andere locatie-keuzes maken. Afgestudeerden uit het hoger onderwijs werken 4 jaar na het afronden van hun opleiding vaak in niet-Noordelijke provincies, waarvan Noord-Holland de meeste afgestudeerden aantrekt. Mbo’ers werken vaak in Friesland, Drenthe en Groningen. Hier speelt ook mee dat jongeren vaker voor hoger onderwijs naar het Noorden verhuizen dan mbo’ers. Een deel van deze uitstroom zullen dus ook afgestudeerden zijn die weer terug gaan naar waar zij vandaan komen. Hoe groot dat deel precies is kunnen we uit deze data nog niet opmaken.

Als we kijken naar trends over tijd, door per afstudeerjaar (naast “Totaal”) te bekijken waar de afgestudeerden uit dat cohort zijn gaan werken, zien we dat een steeds groter aandeel van de hoger opgeleiden werk na 4 jaar werk heeft gevonden in de provincie Groningen. Voor het cohort 2016 is dat met 19% inmiddels al de grootste groep, gevolgd door Noord-Holland met 17,5%. Van de groep die afstudeerde in 2006 had een kleiner deel na 4 jaar werk in Groningen: toen was het 15%, tegenover 18% voor Noord-Holland.

Hangt die keuze om buiten de regio te werken ook samen met opleidingsrichting? Daar lijkt het wel op: onderstaande visualisatie laat per hoofdveld (sociaal, zorg, technisch) zien waar afgestudeerden van alle cohorten tussen 2009 en 2016 zijn gaan werken. Verder aggregeren we op landsdelen, in plaats van provincies. Het volgende patroon ontstaat: van de hoogopgeleiden met een sociale studieachtergrond (bijvoorbeeld in de economie, gedragswetenschappen of onderwijs) vertrekt het grootste deel naar het westen van het land. Van de zorg- en technische afgestudeerden blijft juist het grootste gedeelte in Noord-Nederland. Dit geldt voor zowel mbo- als hoger opgeleiden die in het Noorden hun diploma hebben behaald.

De werklocatie na afstuderen lijkt ook te maken hebben met de sector waarin afgestudeerden gaan werken. Van de afgestudeerden die in Noord-Nederland blijven werken werkt het grootste gedeelte in de zorg, bijna 4 op de 10. Voor de studenten die naar het westen vertrekken is dat juist de (zakelijke) dienstverlening, ook met ruim 40%. Eenzelfde patroon geldt ook voor mbo’ers die vertrekken: als zij in West-Nederland gaan, is de kans het grootste dat zij daar in de dienstverlening werken. Degenen die in Noord-Nederland blijven, werken juist relatief vaak in de zorg.

Wat verdienen Noordelijke afstudeerders?

Het loon van Noordelijke afgestudeerden hangt ook af van de regio en de sector waarin zij werken. We hebben voor alle afgestudeerden het uurloon berekend 4 jaar na hun afstudeerdatum. Loon-analyses zijn complex en verbergen vaak onderliggende dynamiek. Ze houden geen rekening met kosten-niveaus, bijvoorbeeld door verschillen in huizenprijzen. Qua welvaartsniveau kan een lager loon daarmee hetzelfde opleveren: we kijken in deze analyses niet naar besteedbaar inkomen.

Kijken we dan naar de mediaan van het uurloon in bepaalde sectoren, dan zien we het volgende. Afhankelijk van de sector waarin afgestudeerden met hetzelfde niveau gaan werken, liggen de lonen anders. Zo liggen de lonen voor mbo 3/4 afgestudeerden relatief het hoogst in de zorg, openbaar bestuur, en de industrie en bouw: in de (zakelijke) dienstverlening liggen de lonen daar relatief lager. Voor hoogopgeleiden zien we eenzelfde patroon, waar voor deze groep in het openbaar bestuur de hoogste lonen liggen.

Vervolgens kijken we naar de verschillen tussen degenen die in het Noorden zijn gebleven voor hun werk, versus degenen die zijn vertrokken. Over het algemeen ligt het loonpeil in West-Nederland iets hoger dan in Noord-Nederland. Dit kan verschillende verklaringen hebben: de lonen kunnen in het algemeen hoger zijn in het westen, het kan te maken hebben met persoonlijke eigenschappen van studenten die ervoor kiezen naar het westen te gaan, en wellicht is het zo dat afgestudeerden pas naar het westen gaan voor werk als daar ook een hoger loon tegenover staat. Op basis van deze data kunnen we echter weinig uitspraken doen over de achterliggende redenen voor deze loonverschillen.

Voor sommige sectoren zijn die verschillen overigens vrij klein, bijvoorbeeld voor het openbaar bestuur en het onderwijs. In de private sectoren zijn de verschillen, logischerwijs, groter. Voor hoger opgeleiden die in de zakelijke dienstverlening werken, lijkt het vooral te lonen om dat te doen in het Westen. Voor mbo’ers geldt dat patroon voor een andere sector: de Noordelijke mbo’ers die naar het Westen vertrekken, om daar in de industrie en bouw te gaan werken, verdienen daar meer dan degenen die zulk werk doen in het Noorden.

In bovenstaande visualisatie hebben we het gemiddelde mediaan uurloon berekend over alle cohorten die zijn afgestudeerd tussen 2009 en 2016. Hieronder splitsen we dat uit naar afstudeerjaar. Data voor mbo niveau 1 en 2 afgestudeerden zijn hier weggelaten, omdat er voor te veel jaren te weinig observaties waren om berekeningen over tijd te kunnen doen. Per industrie kun je in onderstaande visualisatie bekijken hoe het loonpeil van verschillende cohorten is, 4 jaar na afstuderen. Dezelfde patronen als hierboven zijn zichtbaar: gemiddeld liggen de lonen net wat hoger voor Noordelijke afstudeerders.

Van werk naar werk

In dit onderdeel van de Talentmonitor bekijken we hoe mensen bewegen van en naar sectoren. In welke sector blijven de meeste mensen werken, en uit welke sectoren zien we de meeste uitstroom?

In welke sectoren is de meeste dynamiek?

Eerst kijken we welke sectoren de meeste en de minste uistroom kennen. Hiervoor bekijken we in welke sector personen werkten in januari van een bepaald jaar, en vervolgens waar zij 5 jaar later werkten. Mensen die werkloos zijn geraakt nemen we hier niet mee: we observeren alleen de mensen die werken op zowel januari in het ene jaar, als in januari 5 jaar daarna. De locatie van de werkgever wordt bepaald aan de hand van de polis-administratie. Hier staat voor elk bedrijf weergegeven waar hun hoofdlocatie is. Als die in Groningen is, dan kijken we voor specifiek die werknemers wat voor sector-veranderingen zij doormaken. Dit vergelijken we (in de gele bolletjes) met de rest van Nederland. Klap deze grafiek uit in een ander tabblad om de verticale as met sectoren goed af te kunnen lezen.

In onderstaande grafiek zien we dat de uitstroomt het laagst is bij de overheid: van de werknemers die in 2015 werkten in de overheid, 92% daar 5 jaar later nog steeds werken. Dit is ongeveer hetzelfde voor Groningen, als voor heel Nederland. De sectoren met de meeste uitstroom zijn de uitzendbureaus, omdat mensen die daar werken vaak actief zijn in andere sectoren. Een deel daarvan zal uiteindelijk ook aan de slag gaan in die sector waarnaar zij zijn uitgezonden. Andere sectoren met relatief veel uitstroom zijn de horeca, kunst en cultuur, en verhuur van roerend goed.

Als mensen vertrekken uit een sector, waar gaan ze dan heen?

In onderstaande visualisatie geven we weer wat voor transities mensen maken op de arbeidsmarkt. We kijken naar waar ze werken in 2015, en zoeken ze weer terug in 2020: werken ze in dezelfde industrie of zijn ze veranderd? Daarnaast kijken we ook specifiek naar de mensen die werken in de zorg-sector. Blijven zij in de zorg werken, en zo ja: dan ook in dezelfde subsector?

Toekomstige transities

Laatste update: mei 2022

De Talentmonitor is op dit moment volop in ontwikkeling. Veel transities op de arbeidsmarkt zijn in de huidige update nog niet opgenomen, maar kunnen later wel worden toegevoegd. Denk hierbij aan mensen die werkloos raken, en weer terugkomen op de arbeidsmarkt; mensen die met pensioen gaan; mensen die een bepaalde sector verlaten, maar misschien later weer terugkeren; studiekeuzes; transities van flex- naar vast contract, en anderen. Veel van deze transities proberen we specifiek te maken voor Groningen en/of Noord Nederland.

Wil je meer weten over dit project, neem dan hier contact met ons op:

Participatie Samenwerking Leren Talent Regionale arbeidsmarkt Skills