De mobiliteit van mbo'ers

Bij het zoeken van een baan spelen verschillende factoren een rol. Een voor de hand liggende factor is de beschikbaarheid van werk in een bepaalde regio. Het lijkt logisch om te denken dat verhuizen naar een locatie met meer werkgelegenheid kan leiden tot betere arbeidsmarkt uitkomsten voor een persoon. Echter, naast de beschikbaarheid van banen, kan ook het netwerk en de kennis van een regio cruciaal zijn. Wanneer je bekend bent met de lokale arbeidsmarkt en een sociaal en/of professioneel netwerk hebt in een regio, ook wel locatiegebonden kapitaal genoemd, kun je deze benutten bij het zoeken naar werk.

Bij hbo- en wo-afgestudeerden zien we dat zij relatief vaak verhuizen, bijvoorbeeld voor werk (zie hier voor analyses in de Talentmonitor waar we dat laten zien: https://talentinderegio.com/talentmonitor/#van-opgroeien-naar-uitvliegen). Mobielere afgestudeerden behalen vaak betere arbeidsmarktresultaten dan degenen die op één locatie blijven. Voor mbo-afgestudeerden is het daarentegen een stuk minder gebruikelijk om te verhuizen. Maar betekent dit ook dat zij slechter af zijn dan verhuizende afgestudeerden, of kunnen zij hun lokale netwerk en regio kennis juist inzetten voor een betere positie op de arbeidsmarkt?

Om de rol van locatiegebonden kapitaal op arbeidsmarktuitkomsten van mbo-afgestudeerden te begrijpen, onderzoeken Tineke Reitsma (link naar: https://research.rug.nl/nl/persons/tineke-reitsma) en Femke Cnossen (link naar: https://www.rug.nl/staff/f.d.cnossen/) (Rijksuniversiteit Groningen) de woonhistorie van mbo-afgestudeerden en arbeidsmarktuitkomsten op individueel niveau in Nederland.

Op deze pagina zijn grafieken en kaarten te vinden over de mobiliteit van mbo-afgestudeerden gekoppeld aan hun arbeidsmarktparticipatie. Daarnaast worden de resultaten verder uitgesplitst naar provincies, mbo-niveaus en leeftijdsgroepen.

Data en analyses

De analyses maken gebruik van CBS Microdata. Deze gegevens bevatten gedetailleerde informatie op persoons- en adresniveau. Hierdoor is het mogelijk om nauwkeurig vast te stellen waar iemand is opgegroeid, of iemand werk heeft, en waar iemand woont.

Voor deze analyse zijn alle personen geselecteerd die in 1993 zijn geboren en een diploma op mbo-niveau hebben behaald. Afgestudeerden die na het mbo-diploma ook nog een hbo- of wo-diploma hebben behaald, zijn niet meegenomen. Dit is omdat we specifiek kijken naar de arbeidsmarktuitkomsten van mbo’ers.

Voor alle geselecteerde mbo-afgestudeerden wordt de situatie op de arbeidsmarkt gevolgd voor de leeftijden 18 tot en met 28 jaar oud. Per jaar wordt vastgesteld of iemand werkt of niet, dit kan zowel in loondienst als zelfstandig zijn.

Verhuisbewegingen worden gevolgd vanaf het 12e tot en met het 28e levensjaar. Dit leidt tot een uitgebreide woonhistorie op individueel niveau. Aan de hand van deze woonhistorie, worden verhuispatronen in kaart gebracht en is iedere persoon ingedeeld in een van vijf categorieën. Deze categorieën komen ook veelvoudig terug in kaarten en grafieken op deze pagina.

Verhuispatronen:

  1. Lokale blijver: Woont op 28-jarige leeftijd in dezelfde gemeente als op 12-jarige leeftijd en heeft maximaal twee jaar elders gewoond.
  2. Regionale blijver: Woont niet meer in dezelfde gemeente als op 12-jarige leeftijd, maar nog wel binnen een straal van 40 km, met maximaal twee jaar buiten deze straal.
  3. Lokale terugkeerder: Woont op 28-jarige leeftijd opnieuw in dezelfde gemeente als op 12-jarige leeftijd, maar heeft meer dan twee jaar elders gewoond.
  4. Regionale terugkeerder: Woont op 28-jarige leeftijd opnieuw in dezelfde regio (binnen 40 km) als op 12-jarige leeftijd, maar heeft meer dan twee jaar buiten deze regio gewoond.
  5. Nieuwkomer: Woont op 28-jarige leeftijd op meer dan 40 km afstand van de gemeente waar hij/zij op 12-jarige leeftijd woonde.

De afstand van 40 km is gekozen omdat mensen vaak niet-werkgerelateerde redenen aangeven voor een verhuizing binnen deze afstand. Bij verhuizingen van meer dan 40 km spelen werk gerelateerde factoren vaker een rol. Dit kan twee effecten hebben: verhuizen binnen 40 km behoudt locatiegebonden kapitaal, zoals lokale netwerken, wat gunstig kan zijn voor de arbeidsmarktpositie. Aan de andere kant kan een verhuizing over grotere afstanden, vaak voor werk, juist leiden tot betere arbeidsmarktuitkomsten.

De grafieken en kaarten laten zien hoe deze categorieën van mobiliteit samenhangen met arbeidsmarktuitkomsten.

 

Woonhistorie en arbeidsmarktuitkomsten

We bekijken in deze sectie grafieken die de relatie laten zien tussen woonhistorie en participatiegraad. De eerste grafieken tonen op welke leeftijden personen uit verschillende woonhistoriegroepen een baan vinden. Vervolgens splitsen we de resultaten uit naar de verschillende mbo-niveaus, om te onderzoeken of er verschillen zijn in de arbeidsmarktuitkomsten tussen de woonhistoriegroepen per opleidingsniveau.

Wanneer vinden mbo-afgestudeerden een baan?

Deze grafiek laat zien hoe arbeidsmarktuitkomsten tussen de leeftijd 18 t/m 28 variëren afhankelijk van verhuispatronen. Op de Y-as wordt het percentage weergeven van de groep die een baan heeft. De X-as toont de leeftijden van 18 t/m 28. De vijf verschillende lijnen representeren de verschillende verhuispatronen.

Wanneer we de arbeidsmarktuitkomsten op 28-jarige leeftijd analyseren, worden duidelijke verschillen zichtbaar tussen de verschillende verhuispatronen. Mbo-afgestudeerden die in de opgroeigemeente of -regio blijven, hebben de hoogste arbeidsmarktparticipatie. Van de regionale blijvers heeft 88 procent op 28-jarige leeftijd een baan, gevolgd door de lokale blijvers met 87 procent. Regionale terugkeerders en nieuwkomers hebben de laatste arbeidsmarktparticipatie, met 81 procent. Lokale terugkeerders bevinden zich hier tussenin, met een arbeidsmarktparticipatie van 84 procent.

Opvallend is dat de blijvers gedurende de gehele periode altijd een hogere arbeidsmarktparticipatie hebben dan terugkeerders en nieuwkomers – de arbeidsmarktparticipatie voor blijvers blijft hoger in vergelijking met de andere groepen. Bij lokale terugkeerders en nieuwkomers blijven de verschillen onderling stabiel, terwijl bij regionale terugkeerders een interessante ontwikkeling zichtbaar is. Rond leeftijd 24 is er een dip in de arbeidsmarktparticipatie, wat mogelijk samenhangt met het besluit om terug te keren. In deze periode zouden zij actief op zoek kunnen zijn naar werk in de opgroeiregio.

Verschilt dat per niveau?

Deze grafiek toont dezelfde informatie als de vorige, maar met een verdere uitsplitsing naar de vier mbo-niveaus. Hierdoor wordt inzichtelijk hoe arbeidsmarktsucces niet alleen verschilt per verhuispatroon, maar ook per opleidingsniveau.

Mbo-niveau 1

Voor mbo-niveau 1 zien we dat de arbeidsmarktparticipatie over het algemeen aanzienlijk lager zijn dan bij de hogere mbo-niveaus: rond de 62 procent van deze groep heeft op 28-jarige leeftijd een baan. Opvallend is dat er binnen deze groep nauwelijks verschil is tussen lokale blijvers, lokale terugkeerders en regionale terugkeerders. Wel springt eruit dat nieuwkomers relatief minder vaak werken dan op andere niveaus. Zij hebben de laagste arbeidsmarktparticipatie, waarbij ongeveer de helft werk heeft op leeftijd 28.

Mbo-niveau 2

De arbeidsmarktparticipatie van mbo-niveau 2 afgestudeerden is over het algemeen hoger dan dat van mbo-niveau 1 afgestudeerden. Ongeveer 80 procent van deze groep heeft op 28-jarige leeftijd een baan. Opvallend is dat binnen mbo-niveau 2 een duidelijk verschil zichtbaar is tussen blijvers enerzijds en terugkeerders en nieuwkomers anderzijds. In tegenstelling tot mbo-niveau 1, zijn er geen verschillen tussen lokale terugkeerders en nieuwkomers op mbo-niveau 2.

Mbo-niveau 3

De verschillen binnen mbo-niveau 3 zijn minder uitgesproken dan bij niveau 1 en 2. Regionale blijvers hebben hier de hoogste arbeidsmarktparticipatie: 90 procent heeft op 28-jarige leeftijd een baan. Nieuwkomers scoren iets lager met 86 procent, maar blijven in vergelijking met de andere niveaus relatief succesvol.

Mbo-niveau 4

Bij mbo-niveau 4 zien we duidelijke verschillen tussen blijvers, lokale terugkeerders en nieuwkomers. Opvallend is het grote verschil van 8 procent tussen blijvers en nieuwkomers, wat suggereert dat locatiegebonden kapitaal mogelijk een belangrijke rol speelt bij arbeidsmarktuitkomsten op dit niveau.

Geografische verschillen

tekst

Mbo-afgestudeerden uit landelijke gebieden hebben meer baat bij een regionaal netwerk

De grafieken hiernaast tonen de arbeidsmarktparticipatie voor de verschillende verhuispatronen, met een onderscheid tussen stedelijke en landelijke gebieden. Ook hier zijn duidelijke verschillen te zien tussen de groepen.

Uit de grafieken blijkt dat elke groep beter af is in landelijke gebieden, behalve de regionale terugkeerders. Deze laatste groep heeft juist meer arbeidsmarktsucces in stedelijke gebieden. Het feit dat mbo-afgestudeerden een hogere arbeidsmarktparticipatie hebben in landelijke gebieden is opmerkelijk, aangezien de literatuur vaak de nadruk legt op de voordelen van stedelijke arbeidsmarkten, met name voor hbo- en wo-afgestudeerden. Dit zou erop kunnen wijzen dat mbo-afgestudeerden in landelijke gebieden, waar zij ook zijn opgegroeid, het lokale netwerk en kapitaal effectief weten in te zetten, wat voordelen oplevert op de arbeidsmarkt.

In landelijke gebieden zijn mbo-afgestudeerden vooral in het voordeel wanneer zij blijven wonen in de opgroeigemeente of regio. Het verschil in arbeidsmarktparticipatie tussen landelijke en stedelijke gebieden bedraagt voor deze groepen vijf procent. Voor nieuwkomers en regionale blijvers is dit verschil kleiner. Regionale terugkeerders die in stedelijke gebieden wonen hebben vaker werk dan regionale terugkeerders in landelijke gebieden, hier is het verschil 5 procent.

Waar in Nederland loont blijven het meest?

We gaan nu vier kaarten van Nederland bekijken. Deze kaarten tonen de verschillen in arbeidsmarktparticipatie tussen de provincies voor verschillende verhuispatronen. Ook hier zijn weer opvallende verschillen te zien. Je kunt met de muis over de kaart bewegen om de cijfers voor de verschillende provincies te bekijken.

Lokale blijvers

Mbo-afgestudeerden die in de opgroeigemeente blijven wonen, hebben betere arbeidsmarktparticipatie in het oosten en zuiden van Nederland dan in het westen en noorden. Met name in de provincie Noord-Holland is de arbeidsmarktparticipatie van mbo-afgestudeerden relatief lager met 84 procent. In Gelderland hebben lokale blijvers juist erg vaak een baan, in 90 procent van de gevallen.

Regionale blijvers

Regionale blijvers hebben vooral goede arbeidsmarktparticipatie in het zuiden van Nederland, met name in Zeeland, Noord-Brabant, Limburg en ook in Gelderland. Met 90 procent scoren Zeeland en Noord-Brabant hier het hoogst. Regionale blijvers in Groningen laten met 85 procent relatief de laagste arbeidsmarktparticipatie zien.

Participatie Samenwerking Leren Talent Regionale arbeidsmarkt Skills